ECLI:NL:RBDHA:2021:7183
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag loonheffingen wegens dubbele belastingheffing na overlijden echtgenote
Eiser nam na het overlijden van zijn echtgenote per 1 augustus 2019 de door haar ter beschikking gestelde auto over. Over de periode 1 januari tot en met 31 juli 2019 werd door toepassing van artikel 13bis Wet LB dubbele belasting geheven, omdat de bijtelling voor privégebruik auto zowel bij eiser als bij zijn overleden echtgenote werd toegepast.
De werkgever had aan beiden een auto ter beschikking gesteld: aan eiser een Volkswagen Up met verklaring 'Geen privégebruik auto' en aan zijn echtgenote een Hyundai i30 met bijtelling. Na het overlijden van de echtgenote werd de Hyundai i30 door eiser gebruikt, waarna de Belastingdienst een naheffingsaanslag oplegde wegens privégebruik auto over de gehele kalenderjaarperiode.
De rechtbank oordeelt dat de dubbele belastingheffing een onbillijkheid van overwegende aard vormt die niet voortkomt uit de ruwheid van de forfaitaire regeling, maar uit de uitzonderlijke feitelijke situatie van eiser. De Belastingdienst had voorafgaand aan de naheffing moeten beoordelen of toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 Awr Pro) op zijn plaats was. Het niet doen van deze beoordeling maakt de naheffingsaanslag in strijd met artikel 3.4 Awb. De rechtbank vernietigt daarom de naheffingsaanslag en wijst het beroep van eiser toe.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffingen wordt vernietigd wegens onbillijkheid van overwegende aard door dubbele belastingheffing na overlijden echtgenote.