ECLI:NL:RBDHA:2021:7261
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter wegens gebrek aan vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter wegens het toetsen van de relatieve en absolute competentie van zijn procedure en het niet uitpraten tijdens een zitting. De wrakingskamer onderzocht of deze gedragingen een schending van de onpartijdigheid van de rechter opleverden.
De kamer oordeelde dat het toetsen van de bevoegdheid door de kantonrechter wettelijk verplicht is en niet wijst op vooringenomenheid, ook niet omdat de kantonrechter niet op de hoogte was van eerdere verwijzingen van soortgelijke zaken. Het niet uitpraten van verzoeker tijdens de zitting werd eveneens niet als vooringenomenheid gezien, maar als een klacht over de wijze van bejegening die niet via wraking kan worden opgelost.
De wrakingskamer concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die de onpartijdigheid van de kantonrechter aantasten. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond bij indiening van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.