ECLI:NL:RBDHA:2021:7282

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
13 juli 2021
Zaaknummer
NL20.11802
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, een Soedanese nationaliteit bezittende persoon, diende op 11 maart 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Frankrijk gedaan, dat door Frankrijk was aanvaard.

Eiser voerde aan dat hij in Frankrijk geen adequate opvang ontving en vreest dat hij bij terugkeer opnieuw geen toegang tot opvang zal hebben. Tevens stelde hij dat er geen concreet zicht is op een tijdige behandeling van zijn aanvraag in Frankrijk. De rechtbank oordeelde dat Frankrijk verantwoordelijk is en dat verweerder terecht kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Frankrijk zijn verplichtingen zal nakomen. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd om te twijfelen aan de naleving van deze verplichtingen.

De rechtbank overwoog dat bij dreigende schending van mensenrechten eerst bij de Franse autoriteiten geklaagd kan worden en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het Franse asiel- en opvangsysteem zodanige tekortkomingen vertoont dat een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro bestaat. Het feit dat de overdracht op het moment van het besluit tijdelijk niet kon worden uitgevoerd, maakt de vaststelling van Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig.

De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden van eiser niet zodanig bijzonder zijn dat de overdracht onevenredige hardheid oplevert en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.11802

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Soedanese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 11 maart 2020 een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder die aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij in Frankrijk geen opvang heeft gehad. De maandelijkse bijdrage die eiser van de Franse autoriteiten ontving was niet voldoende om in zijn levensonderhoud te voorzien. Eiser vreest bij terugkeer dat hij opnieuw geen toegang zal hebben tot de opvang. Tot slot voert eiser aan dat er geen concreet zicht is op overdracht naar Frankijk waardoor zijn asielaanvraag in Frankrijk niet binnen een redelijke termijn behandeld zal worden. Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening [2] dient verweerder de asielaanvraag dan ook in behandeling te nemen, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser eerder in dat land asiel heeft aangevraagd. [3] Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van bezwaren tegen de overdracht aan Frankrijk. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Franse autoriteiten toegezegd de asielaanvraag van eiser te behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Daarbij mag verweerder er vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat aan eiser in Frankrijk opvang zal worden verleend. Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat eraan moet worden getwijfeld dat Frankrijk zijn verplichtingen in dit verband zal nakomen. De enkele verwijzing naar openbare bronnen is hiertoe niet voldoende.
4. Bij dreigende schending van mensenrechten geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Franse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest. [5] Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.
5. Dat de overdracht van eiser op het moment van het bestreden besluit niet kon worden uitgevoerd wordt aangemerkt als een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel en maakt de vaststelling van Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Er is dan ook geen aanleiding om eiser voor het verstrijken van de uiterlijke overdrachtstermijn op te nemen in de nationale asielprocedure. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020. [6]
6. Verweerder heeft tot slot in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel, dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekend gemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 18 van Pro de Dublinverordening.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.