ECLI:NL:RBDHA:2021:7402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
20/5479
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken juridisch gezag pleegouder

Eisers, een broer en zus met Eritrese nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan om als familie- of gezinslid bij hun broer (referent) te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat er sprake was van familie- en gezinsleven onder het rechtmatig gezag van de referent als pleegouder.

Eisers betoogden dat de referent vanwege de medische situatie van hun vader als pleegouder moest worden aangemerkt, met wie zij een hechte band hebben en die hen financieel ondersteunt. Verweerder stelde dat het juridisch gezag niet was aangetoond en dat de zorg slechts tijdelijk was.

De rechtbank oordeelde dat de voogdijverklaring en andere documenten niet betrouwbaar waren en dat de medische situatie van de vader niet voldoende onderbouwd was om het ontbreken van zorg aan te tonen. Eisers waren na vertrek van de echtgenote van referent weer teruggekeerd naar hun vader, wat het pleegouderschap ondermijnt.

De rechtbank concludeerde dat de referent niet als pleegouder kan worden aangemerkt en dat het beroep ongegrond is. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard omdat het juridisch gezag van de referent als pleegouder niet is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/5479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer 1] ,

en haar broer,
[eiser], V-nummer [V-nummer 2] ,
tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

In het besluit van 8 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder heeft verweerder de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.
In het besluit van 10 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft per Skypeverbinding plaatsgevonden op 18 mei 2021. Referent is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Een tolk is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 2001. Haar broer is geboren op [geboortedag 2] 2006. Zij hebben allebei de Eritrese nationaliteit. Eisers hebben op 9 januari 2017 een aanvraag gedaan voor een mvv ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. Referent is de broer van eisers.
2. Verweerder heeft met het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder acht de identiteit en nationaliteit van eisers aannemelijk. Echter, niet is gebleken van familie- en gezinsleven tussen eisers en referent. Niet is gebleken dat persoonlijke en hechte banden bestaan tussen referent als pleegouder en eisers als pleegkinderen.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eisers voeren aan dat ten onrechte niet het voordeel van de twijfel is gegeven ten aanzien van het pleegouderschap. De reden waarom referent de pleegouder van eisers is geworden is duidelijk. De vader van eisers is immers verlamd geraakt en kan niet meer voor hen zorgen. Ook ten aanzien van de medische situatie van de vader van eisers had verweerder het voordeel van de twijfel moeten geven. Voorafgaand aan de uitreis van referent en zijn gezin hebben eisers vier jaar bij zijn gezin gewoond. Zij hebben een sterke band. Ook worden eisers door referent financieel ondersteund.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het juridisch gezag niet is aangetoond en dat de zorg voor eisers slechts tijdelijk was, zodat geen sprake is van pleegouderschap van referent.
Wat zijn de regels?
5. In artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is bepaald dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid wordt verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat referent niet als pleegouder kan worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de voogdijverklaring niet door Bureau Documenten kan worden beoordeeld, zodat daar geen waarde aan gehecht kan worden. De overgelegde schoolrapporten en geboorteaktes zijn niet echt bevonden en daaruit volgt evenmin het pleegouderschap van referent. Daarnaast is de overgelegde medische verklaring over de medische problemen van de vader van eisers als niet te beoordelen aangemerkt door Bureau Documenten. Daarbij merkt de rechtbank op dat indien al van een bevoegdelijk opgemaakt en inhoudelijk juist document moet worden uitgegaan, uit het document slechts valt af te leiden dat de vader van eisers een beroerte heeft gehad en op dat moment aan de rechterzijde verlamd was. Of en in hoeverre de vader is hersteld van de gevolgen van de beroerte is daaruit niet af te leiden. Wel blijkt uit het dossier dat de vader fysiotherapie kreeg en dat hij vier maanden na het verblijf bij referent naar zijn eigen huis wilde. Bovendien zijn eisers na de uitreis van de echtgenote van referent weer teruggegaan naar hun vader. Dat de vader niet voor de kinderen kan zorgen is de rechtbank dan ook niet gebleken. Evenmin is aangetoond dat eisers onder het rechtmatige gezag van de referent staan. Referent kan dus niet worden aangemerkt als de pleegouder van eisers.
6.1.
De in beroep overgelegde verklaring van de ‘Administration of Maakel region’ van 28 oktober 2020 kan gelet op de ‘ex tunc’ toetsing in beroep niet bij de beoordeling worden betrokken.
6.2.
Nu in de besluitvormingsfase niet is aangetoond dat referent het juridisch
gezag heeft over eisers en dit gelet op de cumulatieve voorwaarden als genoemd in artikel 3.14 van het Vb, een zelfstandige afwijzingsgrond vormt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.