ECLI:NL:RBDHA:2021:7478

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
C/09/594086 / HA ZA 20-546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30p Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling kapitaalverzekering na verkoop woning tussen ex-partners

De rechtbank Den Haag heeft op 1 juli 2021 uitspraak gedaan in een geschil tussen ex-partners over de verdeling van een kapitaalverzekering na verkoop van hun gezamenlijke woning. Partijen hadden de woning in 2008 gekocht en een hypothecaire lening afgesloten. De relatie eindigde in 2009, waarna de woning onder water stond en de ex-partners verschillende eigenaarslasten betaalden.

De rechtbank onderzocht de financiële verhoudingen, waaronder een lening van de vader van de vrouw, de aflossing daarvan, en de betaalde hypotheekrente. Tevens werd rekening gehouden met de premies die de man voor de kapitaalverzekering betaalde en de kosten van de Vereniging van Eigenaren (VvE) en gemeentelijke heffingen. De overwaarde van de woning werd in 2020 gelijk verdeeld.

Uiteindelijk bepaalde de rechtbank dat van het uit te keren bedrag van €15.311,80 op de kapitaalverzekering €9.280,54 aan de man toekomt en €6.031,26 aan de vrouw via haar bewindvoerder. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd zodat ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt de verdeling van de kapitaalverzekering vast waarbij de man €9.280,54 ontvangt en de vrouw €6.031,26, met compensatie van proceskosten.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/594086 / HA ZA 20-546
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 juli 2021
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat voorheen mr C.M. Achekar, thans mr. H.M.A. Nobel te Almere,
tegen
OPRECHT LEIDEN B.V. QQte Leiden, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. D.M. Siemerink-Looten te Den Haag.
Partijen worden hierna [eiser] en de bewindvoerder genoemd. [gedaagde] wordt hierna [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 mei 2020, met producties;
  • de conclusie van antwoord tevens van voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie;
  • het tussenvonnis van 24 februari 2021, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • de brief van 6 mei 2021 namens [eiser] met aanvullende producties;
  • de akte wijziging eis namens [eiser];
  • de akte in antwoord op de akte in conventie van 18 juni 2021 houdende vermeerdering van eis in reconventie;
  • de akte in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie, houdende overlegging producties en aanbod getuigenbewijs namens de bewindvoerder;
  • de mondelinge behandeling op 1 juli 2021, waarbij zijn verschenen [eiser], bijgestaan door de advocaat voornoemd en de bewindvoerder, bijgestaan door de advocaat voornoemd.
1.2.
De rechtbank heeft na een schorsing van de zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Met instemming van partijen is geen afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt van het verhandelde ter zitting.

2.De beslissing in conventie en in reconventie

De rechtbank:
2.1.
stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen als volgt vast:
2.1.1.
bepaalt dat van het bedrag per datum levering woning van € 15.311,80 van de kapitaalverzekering van Reaal met polisnummer 3100008165 een bedrag van € 9.280,54 wordt uitgekeerd aan [eiser] en een bedrag van € 6.031,26 wordt uitgekeerd aan de bewindvoerder ten behoeve van [gedaagde];
2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.

3.De beoordeling

in conventie en in reconventie

3.1.
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering en behandelt daarbij de vorderingen in conventie en in reconventie vanwege de nauwe onderlinge samenhang gezamenlijk.
3.2.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben in die periode gezamenlijk een woning gekocht aan de [adres] in [plaats] (hierna de woning). Zij hebben de woning op 13 oktober 2008 geleverd gekregen. Zij hebben voor de woning inclusief kosten een bedrag van € 160.974,86 betaald en een hypothecaire lening afgesloten voor een bedrag van € 171.500 waarvan zij netto een bedrag van € 168.086,75 hebben ontvangen. Uit de nota van afrekening van de notaris van de aankoop van de woning volgt dat [eiser] en [gedaagde] bij de aankoop van de woning een bedrag van afgerond € 7.112 in contanten hebben ontvangen.
3.3.
In een brief van de Hollandsche Disconto Voorschotbank aan [eiser] van 1 oktober 2008 is opgenomen dat een krediet van [eiser] groot € 13.000 bij de Hollandsche Disconto Voorschotbank is afgelost. De bewindvoerder stelt dat de vader van [gedaagde] dit hele bedrag aan [eiser] ter beschikking had gesteld en dat de lening aan de vader van [gedaagde] na het verkrijgen van de hypothecaire lening is afgelost. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij zich nog maar weinig kan herinneren van wat er destijds is gebeurd. Wel kan hij zich herinneren dat hij soms contante bedragen aan de vader van [gedaagde] heeft betaald.
3.4.
[eiser] en [gedaagde] hebben maar een bedrag van € 7.112 in contanten ontvangen bij de levering van de woning. Als de vader van [gedaagde] een lening heeft verschaft van € 13.000 kan die dus niet helemaal uit de hypothecaire geldlening zijn afgelost. [eiser] kan zich niet meer herinneren wat er is gebeurd. Uit de brief van de Hollandsche Disconto Voorschotbank volgt dat een schuld van hem is afgelost vlak voor de levering van de woning. Vlak na de levering is de schuld bij de vader van [gedaagde] afgelost. Gelet op deze gang van zaken concludeert de rechtbank dat het aannemelijk is dat het bedrag van € 7.112 is gebruikt voor de aflossing van de schuld van [eiser]. Het is niet duidelijk geworden hoe het restant van bijna € 6.000 is afgelost. De stelling die de bewindvoerder hierover had ingenomen, klopt aantoonbaar niet. De bewindvoerder heeft geen concrete stellingen ingenomen hoe het dan wel is gegaan. Met dit restbedrag van bijna € 6.000 kan de rechtbank dan ook geen rekening houden.
3.5.
De relatie van [eiser] en [gedaagde] is in 2009 geëindigd. Op dat moment stond de woning onder water. [gedaagde] is in de woning blijven wonen en zij heeft sindsdien het grootste deel van de eigenaarslasten van de woning voldaan. Daartoe behoorde ook de rente over de hypothecaire lening waarvan dus een deel groot € 7.112 is gebruikt om de lening bij haar vader af te lossen, terwijl dit bedrag alleen aan [eiser] ten goede is gekomen. De hypothecaire rente was 5,5%. Over een periode van 12 jaar: 2009 tot en met 2020 is dit een bedrag van € 4.694. [eiser] dient deze rente aan [gedaagde] te vergoeden en ook de helft van het bedrag waarmee zijn lening is afgelost. Omdat dit bedrag uit de hypothecaire lening is betaald, heeft hij tot op heden hiervan maar de helft voor zijn rekening genomen. Dit is een bedrag van € 3.556.
3.6.
Partijen hebben in 2017 in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd dat ze de woning per 1 februari 2019 wilden verkopen en de overwaarde dan bij helfte wilden verdelen. In die periode betaalde [eiser] de gemeentelijke heffingen en [gedaagde] de overige kosten. Door het tekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen vastgelegd dat zij dit een redelijke en billijke verdeling van de eigenaarslasten vonden. Dit betekent dat [eiser] en [gedaagde] voor wat betreft de eigenaarslasten en een eventuele gebruiksvergoeding over en weer geen vorderingen op elkaar hebben. De rechtbank maakt hierop één uitzondering.
3.7.
Vanaf 2019 is [gedaagde] de gemeentelijke heffingen gaan betalen. Daartegenover heeft [eiser] via loonbeslag de kosten van de VvE betaald omdat [gedaagde] hiertoe niet (meer) in staat was. De kosten voor de VvE bedroegen € 3.105,15. Hoeveel [gedaagde] aan gemeentelijke belastingen heeft betaald is niet concreet gesteld. De rechtbank neemt hiervoor schattenderwijs een bedrag van € 1.000. Dit betekent dat [eiser] in de periode vanaf 2019 per saldo € 2.000 meer heeft betaald dan partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst voor ogen hadden. Dit meerdere dient [gedaagde] nog aan hem te vergoeden.
3.8.
De woning is november 2020 verkocht. De overwaarde van ruim € 4.000 is tussen partijen gelijk verdeeld. De kapitaalverzekering kon op dat moment een bedrag van € 15.311,80 uitkeren, maar heeft dat niet gedaan. Dit bedrag staat nog bij de verzekering omdat zowel [eiser] als [gedaagde] aanspraak maken op het bedrag. In principe hebben zowel [eiser] als [gedaagde] recht op de helft. Dit is voor ieder een bedrag van € 7.655,90.
3.9.
[eiser] heeft echter de premies voor de kapitaalverzekering, totaal € 109,37 per maand, vanaf in ieder geval 2010 maandelijks betaald. Over een periode van 12 jaar is dit een bedrag van € 15.749,28. Omdat ook [gedaagde] aanspraak maakt op de helft van de opgebouwde waarde, is zij de helft van de door [eiser] betaalde premies aan hem verschuldigd.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling concludeerden partijen dat de levensverzekering nog doorloopt en dat [eiser] hier nog steeds de premies voor betaalt. In het dossier is de datum levering woning als ijkpunt genomen. Dit heeft de rechtbank aangehouden. Al het meerdere wat sinds de levering van de woning is opgebouwd komt ten goede aan [eiser]. Hiertegenover komen ook de premies voor zijn rekening.
3.11.
Aldus ontstaat het volgende overzicht, waaruit volgt dat [eiser] recht heeft op een deel groot € 9.280,54 van de het bedrag van de kapitaalverzekering en de bewindvoerder namens [gedaagde] op een bedrag van € 6.031,26.
totaal
man
vrouw
kapitaalverzekering
15.311,80
7.655,9
7.655,9
premies man betaald
15.749,28
7.874,64
-7.874,64
hypotheeksom
7.112,00
-3.556,00
3.556,00
hypotheekrente over 7112
4.694
-4.694
4.694
VvE-kosten
2.000,00
2.000,00
-2.000,00
9.280,54
6.031,26
3.12.
In het feit dat partijen ex-partners zijn, en zij over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 6 juli 2021.
WAARVAN PROCES-VERBAAL
De griffier is buiten staat dit
proces-verbaal te ondertekenen.