Eiseres, een zelfstandige die eerder bijstand ontving, startte een kappersbedrijf en verzocht om beëindiging van haar uitkering per 1 juni 2019. De gemeente kende haar een onkostenvergoeding toe van €1.383,79 inclusief een uitstroompremie van €500,-. Eiseres maakte bezwaar tegen de hoogte en berekening van deze vergoeding, onder meer vanwege vermeende onjuistheden in de btw-berekening en vermeende dubbele vergoeding van bepaalde kosten.
De rechtbank overwoog dat de gemeente de vergoeding juist had berekend, waarbij rekening was gehouden met reeds betaalde bedragen en dat de btw niet in de vergoeding was meegenomen omdat eiseres deze als ondernemer kon verrekenen. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij bepaalde bedragen niet had ontvangen of dat de berekening onjuist was.
Ook andere door eiseres aangevoerde gronden, zoals premies voor de Zorgverzekeringswet en kinderopvangkosten, waren niet relevant voor het bestreden besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.