ECLI:NL:RBDHA:2021:764
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking visum kort verblijf en vrijheidsontnemende maatregel
Eiseres, met de Malinese nationaliteit, kreeg op 28 januari 2020 een visum voor kort verblijf. Bij aankomst op Schiphol op 9 maart 2020 gaf zij aan asiel te willen aanvragen, wat zij op 10 maart 2020 deed. De Koninklijke Marechaussee trok daarop het visum in en legde een vrijheidsontnemende maatregel op in het kader van de grensprocedure.
Eiseres stelde beroep in tegen de intrekking van het visum en de maatregel. Zij voerde aan dat de intrekking procedurefouten bevatte en dat het visum daardoor geldig bleef, wat rechtmatig verblijf zou betekenen en de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig maakte. Tevens stelde zij dat zij procesbelang had om herziening van eerdere uitspraken en schadevergoeding te vragen.
De rechtbank oordeelde dat voor toepassing van de grensprocedure en de vrijheidsontnemende maatregel slechts een aan de buitengrens geuite asielwens vereist is, niet het hebben van rechtmatig verblijf. Omdat eiseres in de grensprocedure was betrokken, ontbrak procesbelang bij het beroep tegen de visumintrekking. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen de uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het visum en de vrijheidsontnemende maatregel wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.