ECLI:NL:RBDHA:2021:765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
3 februari 2021
Zaaknummer
AWB 20/3410
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 lid 1 onder a) vi Verordening 810/2009Art. 2 lid 21 SchengengrenscodeArt. 4:6 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 reisbeperkingen bevestigd

Eiseres, met de Gambiaanse nationaliteit, heeft op 5 september 2019 een visum voor kort verblijf aangevraagd om familie in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aantoonde dat het doel van het verblijf gerechtvaardigd was, zij niet kon aantonen over voldoende middelen voor terugreis te beschikken en onvoldoende duidelijk maakte dat zij zou terugkeren naar Gambia.

Na een bezwaarprocedure handhaafde de Minister de afwijzing op grond van tijdelijke beperkingen voor niet-essentiële reizen naar de EU vanwege de COVID-19-pandemie. Eiseres stelde dat de pandemie slechts een tijdelijke belemmering vormde en dat haar visumaanvraag daarom ingewilligd moest worden, met de mogelijkheid om later een nieuwe aanvraag te doen indien het visum niet gebruikt kon worden.

De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht was gebaseerd op de Verordening 810/2009 (Visumcode), de Schengengrenscode en de richtsnoeren van de Europese Raad van 17 maart 2020. Eiseres viel niet onder een uitzonderingsgroep voor de tijdelijke reisbeperkingen. Bovendien was het verzoek om een visum met uitgestelde ingangsdatum niet doelmatig omdat de omstandigheden kunnen veranderen en het visum dan zijn doel mist.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege COVID-19 reisbeperkingen en onvoldoende bewijs van terugkeer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3410

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer]
gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek,
en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Saglik.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2019 (afwijzing) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 1 april 2020 (beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 23 april 2020 hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 20 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2020. De gemachtigde van eiseres is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder is ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 5 september 2019 heeft zij een visum voor kort verblijf aangevraagd met als doel het bezoeken van referente in Nederland.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel van het voorgenomen verblijf onvoldoende is aangetoond. Ook is niet aangetoond dat eiseres over voldoende middelen beschikt voor de terugreis naar Gambia. Verder heeft zij haar voornemen om terug te keren naar Gambia onvoldoende duidelijk gemaakt. Het bezwaar van eiseres heeft verweerder ongegrond verklaard omdat door de COVID-19-pandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie (EU) ter bescherming van de volksgezondheid.
3. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat de COVID-19-pandemie slechts een tijdelijke belemmering is en verweerder met de afwijzing van de visumaanvraag vooruitloopt op de door eiseres in de toekomst geplande bezoek aan Nederland. Verweerder dient de aanvraag dus gewoon in te willigen. Als later blijkt dat eiseres geen gebruik kan maken van het verleende visum kan zij daartoe opnieuw een aanvraag indienen zonder dat artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden tegengeworpen. Deze beroepsgrond faalt.
3.1.
De afwijzing is gebaseerd op artikel 32, eerste lid, onder a) vi van Verordening 810/2009 (Visumcode), artikel 2, eenentwintigste lid, van Schengengrenscode en de richtsnoeren inzake grensbeheer van de Europese Raad van 17 maart 2020. Op die basis heeft verweerder per 19 maart 2020 tijdelijke beperkingen ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de EU ter bescherming van de volksgezondheid opgelegd. Er is niet gebleken dat eiseres, die het visum heeft gevraagd met als doel familiebezoek, valt onder een van de uitzonderingsgroepen, waarvoor die beperkingen niet of verminderd gelden. Dat heeft zij ook niet met zoveel woorden gesteld. Gezien de omstandigheden, zoals zij bestonden tijdens de beslissing op bezwaar, is de afwijzing dus terecht gehandhaafd.
3.2.
Voor zover de beroepsgrond beoogt een visum te krijgen waarvan de ingangsdatum wordt uitgesteld tot de covid-reisbeperkingen zijn opgeheven treft dat geen doel. Immers tegen die tijd kunnen de omstandigheden zo gewijzigd zijn dat eiseres niet meer aan de verleningsvoorwaarden voldoet en het visum dus zijn doel voorbijschiet.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 januari 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.