ECLI:NL:RBDHA:2021:765
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 reisbeperkingen bevestigd
Eiseres, met de Gambiaanse nationaliteit, heeft op 5 september 2019 een visum voor kort verblijf aangevraagd om familie in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aantoonde dat het doel van het verblijf gerechtvaardigd was, zij niet kon aantonen over voldoende middelen voor terugreis te beschikken en onvoldoende duidelijk maakte dat zij zou terugkeren naar Gambia.
Na een bezwaarprocedure handhaafde de Minister de afwijzing op grond van tijdelijke beperkingen voor niet-essentiële reizen naar de EU vanwege de COVID-19-pandemie. Eiseres stelde dat de pandemie slechts een tijdelijke belemmering vormde en dat haar visumaanvraag daarom ingewilligd moest worden, met de mogelijkheid om later een nieuwe aanvraag te doen indien het visum niet gebruikt kon worden.
De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht was gebaseerd op de Verordening 810/2009 (Visumcode), de Schengengrenscode en de richtsnoeren van de Europese Raad van 17 maart 2020. Eiseres viel niet onder een uitzonderingsgroep voor de tijdelijke reisbeperkingen. Bovendien was het verzoek om een visum met uitgestelde ingangsdatum niet doelmatig omdat de omstandigheden kunnen veranderen en het visum dan zijn doel mist.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege COVID-19 reisbeperkingen en onvoldoende bewijs van terugkeer.