ECLI:NL:RBDHA:2021:7655

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
C/09/611611 / HA ZA 21-435
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op muziekgebruik zonder licentie en veroordeling tot betaling Buma-vergoeding

In deze civiele bodemzaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 juli 2021 uitspraak gedaan in het geschil tussen Vereniging Buma en gedaagde The Music Factory Sound & Events. Gedaagde is verstek verleend wegens niet verschijnen. De procedure betreft het onrechtmatig openbaar maken van muziekwerken uit het door Buma beheerde repertoire zonder voorafgaande toestemming en betaling van de daarvoor verschuldigde vergoeding.

De rechtbank oordeelt dat het verbod op het houden van evenementen waarbij muziek uit het Buma-repertoire wordt gespeeld zonder licentie gerechtvaardigd is. Tevens wordt gedaagde veroordeeld tot het doen van een schriftelijke opgave van de gehouden evenementen vanaf 24 december 2017, inclusief details over artiesten en financiële opbrengsten. De opgave moet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis worden verstrekt.

Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van de vergoeding conform het Algemeen Tarief, te weten 3, 5 of 7% van de recettes of gages, vermeerderd met btw. Om naleving te waarborgen legt de rechtbank dwangsommen op bij overtreding van het verbod en bij niet-tijdige of onvolledige opgave. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt verboden muziek te gebruiken zonder licentie, veroordeeld tot opgave en betaling van vergoeding conform Algemeen Tarief en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/611611 / HA ZA 21-435
Vonnis van 21 juli 2021
in de zaak van
VERENIGING BUMA,
te Amstelveen,
eiseres,
advocaat mr. S.R.M.T. Janssen te Hoofddorp,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n.
THE MUSIC FACTORY SOUND & EVENTS,
te [woonplaats],
gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 14 april 2021, met productie EP01 tot en met EP08;
  • het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
Voor de feiten en het gevorderde wordt verwezen naar het gestelde in de aangehechte kopie van de dagvaarding.
2.2.
Het gevorderde komt de rechtbank in hoofdzaak niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, zij het met inachtneming van het volgende.
2.3.
Over de in de dagvaarding onder 2 van het petitum gevorderde opgave overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres is al bekend met het evenement van 23 december 2017 genoemd in punt 4 in het lichaam van de dagvaarding, zodat bij de gevorderde opgave van de organisatie van dat evenement als zodanig (eerste bullit, eerste deel van de zin), geen belang bestaat. De formulering in het dictum zal daarop worden aangepast. De rechtbank zal de aanvang van de periode waarover opgave moet worden gedaan, bij gebreke van aanwijzingen dat voordien al sprake is geweest van niet door gedaagde gemelde evenementen, bepalen op 24 december 2017. Eiseres heeft verder gevorderd dat de onder 2 bedoelde opgave door een registeraccountant wordt ‘gecertificeerd’. Zij bedoelt daarmee kennelijk dat de registeraccountant een vorm van garantie of
assurancegeeft ten aanzien van de juistheid van de opgave, maar het is de rechtbank ambtshalve bekend dat toewijzing van een daarop gerichte vordering tot executieproblemen kan leiden, aangezien een registeraccountant volgens de toepasselijke gedragsregels niet (zonder meer) conclusies kan trekken die over de juistheid van de opgave zekerheid geven. Daarom en omdat dit deel van de vordering ook verder niet is toegelicht, zal de rechtbank dit deel van de vordering afwijzen. De vordering zal voor het overige worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.
2.4.
Oplegging van de door eiseres gevorderde dwangsommen, als stimulans tot nakoming van dit vonnis, is aangewezen. De op te leggen dwangsommen zullen (deels) worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. Ten slotte worden de vorderingen waar nodig, ter voorkoming van executiegeschillen, met aangepaste formulering toegewezen.
2.5.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van eiseres als volgt begroot. Bij de vaststelling van het salaris van de advocaat wordt aansluiting gezocht bij het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven zoals dat geldt voor uitspraken op of na 1 februari 2021, waarbij wordt uitgegaan van tarief II voor vorderingen van onbepaalde waarde (1 punt x
tarief II = € 563,-). Dit wordt vermeerderd met het griffierecht van € 667,-, de explootkosten van € 85,81 en de kosten voor een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van € 4,78, in totaal derhalve € 1.320,59.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verbiedt gedaagde om zonder voorafgaande toestemming van eiseres evenementen te houden waarbij enig muziekwerk behorende tot het door eiseres beheerde repertoire ten gehore wordt gebracht en bepaalt dat gedaagde, na betekening van dit vonnis, aan eiseres een dwangsom verbeurt van € 5.000,- per overtreding van dit verbod, met een maximum van € 100.000,-;
3.2.
veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van eiseres schriftelijk opgave te doen van:
- de door gedaagde vanaf 24 december 2017 gehouden evenementen ter gelegenheid waarvan werken behorend tot het Buma-repertoire zijn openbaar gemaakt;
- de namen van de artiesten die tijdens de betreffende evenementen en/of tijdens het evenement bedoeld in punt 4 van het lichaam van de dagvaarding hebben opgetreden en de behaalde recettes en betaalde gages/uitkoopsommen;
en bepaalt dat gedaagde aan eiseres een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat enig deel van deze opgaveverplichting niet of niet volledig is nagekomen, met een maximum van € 25.000,-;
3.3.
veroordeelt gedaagde binnen zeven dagen na de in 3.2. bedoelde opgave aan eiseres te voldoen de aan haar verschuldigde vergoeding conform het Algemeen Tarief, te weten 3, 5 of 7% van de recettes of koopsommen/gages, te vermeerderen met btw;
3.4.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 1.320,59;
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken door mr. D Nobel, rolrechter, op 21 juli 2021.