ECLI:NL:RBDHA:2021:7657

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
20/6848
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken besluit in zin van Awb

Eiser maakte bezwaar tegen de hoogte van een nabetaling van een uitkering, waarbij verweerder het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelt dat de brief van 12 juni 2020, waarin uitleg werd gegeven over de nabetaling, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Omdat dat niet is gebeurd, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af omdat eiser deze niet voldoende heeft onderbouwd. Ten slotte bepaalt de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden. Er zijn geen andere proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6848

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),verweerder
(gemachtigde: F.G.E. Houtbeckers).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 oktober 2020 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek op gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
In het besluit van 25 mei 2020 is vermeld dat de uitkering die eiser ontvangt op grond van de Werkloosheidswet (WW) wordt beëindigd per 4 oktober 2019, dat een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt toegekend per 27 augustus 2018 en dat de vanaf 4 oktober 2019 onterecht ontvangen WW-uitkering zal worden verrekend met de ZW-uitkering.
1.2.
In een betaalspecificatie van 9 juni 2020 is vermeld dat de netto nabetaling € 465,19 bedraagt.
1.3.
In het besluit van 9 juni 2020 is vermeld dat eiser over de periode van 4 oktober 2019 tot en met 30 april 2020 ten onrechte WW-uitkering heeft gehad, dat dat een ZW-uitkering had moeten zijn, dat de uitkeringen inmiddels zijn verrekend en dat eiser recht heeft op een bruto nabetaling van € 11.420,54, die inmiddels is betaald.
1.4.
In het besluit van 11 juni 2020 is vermeld dat de ZW-uitkering en WW-uitkering verrekend zijn over de periode van 4 oktober 2019 tot 30 april 2020, dat eiser recht heeft op nabetaling van € 465,19 netto, dat dit inmiddels is overgemaakt en dat de brief van 9 juni 2020 komt te vervallen, omdat daarin een onjuist bedrag is vermeld.
1.5.
Bij brief van 12 juni 2020 heeft verweerder desgevraagd een toelichting gegeven op de totstandkoming van de ontvangen nabetaling.
1.6.
Eiser heeft bij schrijven van 15 juni 2020 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het bedrag van € 465,19 netto.
1.7.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. In het daartegen ingestelde beroep is vermeld dat de gedane nabetaling te laag is en € 1.901,41 zou moeten bedragen, dat daarin vakantiegeld mist en dat eiser betaling van schadevergoeding van € 500,- vraagt.
3. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 12 juni 2020 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en overweegt daartoe als volgt. Bij besluit van 25 mei 2020 is besloten dat een nabetaling zou worden gedaan. De hoogte van de nabetaling is in de onder 1.2 genoemde specificatie vermeld. In de brief van 12 juni 2020 is desgevraagd uitleg aan eiser gegeven over de gedane nabetaling. Deze brief is niet op rechtsgevolg gericht en kan om die reden niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Dat er ten onrechte een rechtsmiddelenclausule onderaan de brief staat, doet aan het bovenstaande niet af. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu dat niet is gebeurd, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Voor zover eiser verzoekt om schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat eiser de gestelde schade niet met is onderbouwd en reeds daarom moet worden afgewezen.
5.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar gericht tegen de brief van 12 juni 2020 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.