ECLI:NL:RBDHA:2021:7661
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen WW-uitkering wegens niet juiste opzegtermijn bij vaststellingsovereenkomst
Eiser trad op 1 september 2017 in dienst bij een werkgever en sloot een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst eindigde per 1 augustus 2020 met een vergoeding van €52.747,20. De overeenkomst werd door werkgever op 6 juli 2020 en door eiser op 7 juli 2020 ondertekend. Eiser vroeg op 27 juli 2020 een WW-uitkering aan, die door verweerder werd afgewezen tot en met 31 augustus 2020 vanwege een opzegtermijn.
Verweerder stelde dat de opzegtermijn begon te lopen op 7 juli 2020, de dag na ondertekening. Eiser betoogde dat de opzegtermijn moest ingaan op 22 juni 2020, de datum waarop volgens hem de overeenkomst tot stand kwam. De rechtbank oordeelde dat op 22 juni 2020 nog geen finale overeenstemming was bereikt, mede omdat de aangepaste vaststellingsovereenkomst nog niet was ontvangen door eiser.
De rechtbank concludeerde dat de schriftelijke beëindiging pas op de datum van ondertekening was voltooid en dat de opzegtermijn daarom vanaf die datum moet worden berekend. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt geweigerd tot en met 31 augustus 2020.