ECLI:NL:RBDHA:2021:769
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Nepal
Eiser, een Nepalese staatsburger, heeft op 1 oktober 2019 een visum voor kort verblijf aangevraagd om een referente in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege onvoldoende bewijs van het doel van de reis, verblijfsomstandigheden en onvoldoende sociale en economische binding met Nepal.
Eiser voerde in beroep aan dat hij wel degelijk voldoende binding met Nepal heeft. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde bedrijfsregistraties en bonnetjes onvoldoende bewijs leveren van een duurzaam en substantieel inkomen. De bankafschriften boden geen duidelijkheid over de herkomst van de stortingen. Daarnaast was de sociale binding met Nepal niet sterk genoeg om terugkeer te waarborgen, mede doordat de relatie met zijn ouders onvoldoende afhankelijkheid toont en het beoogde huis niet overtuigend als vaste woonplaats is aangetoond.
Hoewel de referente een oprecht vertrek naar Nepal bepleitte, blijft het van belang dat de feitelijke woon- en leefsituatie van eiser in Nepal objectief wordt vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij na het visum Nederland zal verlaten en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Nepal.