ECLI:NL:RBDHA:2021:7760
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige: ingangsdatum en verblijfsgat niet onrechtmatig
Eiseres, van Japanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige die met terugwerkende kracht werd ingetrokken per 31 december 2019. Haar aanvraag tot verlenging werd afgewezen, waarna zij beroep instelde. Tijdens de procedure werd het eerdere besluit ingetrokken en werd haar bezwaar gegrond verklaard, met verlening van een nieuwe verblijfsvergunning vanaf 21 augustus 2020.
Eiseres betwistte de ingangsdatum van de vergunning en stelde dat deze had moeten aansluiten op de eerdere vergunning om een verblijfsgat te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 de ingangsdatum terecht is vastgesteld op het moment dat eiseres aantoonde aan alle voorwaarden te voldoen. Het niet tijdig indienen van gegevens was niet aan haar toe te rekenen.
Verder verwierp de rechtbank het beroep op het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan, aangezien eiseres niet in haar vestigingsvrijheid werd beperkt. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, omdat het later in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning geen onevenredige gevolgen heeft. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning blijft 21 augustus 2020.