ECLI:NL:RBDHA:2021:798
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek na voorwaardelijk sepot en proeftijd
Eiseres diende op 29 april 2019 een verzoek tot naturalisatie in. Dit verzoek werd afgewezen door verweerder omdat de Officier van Justitie een strafzaak tegen eiseres wegens diefstal voorwaardelijk had geseponeerd met een proeftijd van 16 oktober 2019 tot 15 oktober 2020. Dit vormde een afwijzingsgrond op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Eiseres maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond en besloot het bezwaar niet aan te houden tot na het verstrijken van de proeftijd. De rechtbank oordeelde dat dit niet onjuist was omdat het aanhouden van het bezwaar de wettelijke regeling zou ondermijnen en in strijd zou zijn met het beleid dat verzoekers moeten wachten tot het einde van de proeftijd.
Daarnaast stelde eiseres dat zij gehoord had moeten worden in bezwaar. De rechtbank oordeelde echter dat op grond van artikel 7:2 en Pro 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan mocht afzien van horen omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
Eiseres voerde verder aan dat verweerder had moeten afwijken van de regel vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder financiële problemen bij het indienen van een nieuw verzoek, en maakte een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwierp deze gronden omdat verweerder reeds had beoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren en het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing was op deze situatie.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard.