ECLI:NL:RBDHA:2021:8036
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens bedreiging volksgezondheid tijdens COVID-19-pandemie
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit bezittende persoon, vroeg op 13 februari 2020 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het vertrek vóór het verstrijken van het visum.
Bij het bestreden besluit werd een nieuwe weigeringsgrond toegevoegd: eiser werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid vanwege de COVID-19-pandemie, op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode. Eiser stelde dat hij niet gehoord was en dat de beslissing op bezwaar had moeten worden uitgesteld.
De rechtbank oordeelde dat eiser deze dwingende weigeringsgrond niet had bestreden en dat de Minister terecht het visum op deze grond had geweigerd. De overige bezwaren van eiser werden niet inhoudelijk behandeld omdat de bedreiging voor de volksgezondheid zelfstandig de weigering rechtvaardigt. Ook was het niet onrechtmatig dat de Minister het bezwaar niet had aangehouden of eiser had gehoord, omdat dit de uitkomst niet zou veranderen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wegens bedreiging van de volksgezondheid wordt ongegrond verklaard.