ECLI:NL:RBDHA:2021:8042
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om de opvolgende aanvraag van de verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren.
Het onderzoek vond plaats op 23 maart 2021 te Utrecht, waarbij de verzoeker werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter overweegt dat nu in een aanverwante zaak (zaaknummer NL21.3223) reeds uitspraak is gedaan op het beroep tegen het bestreden besluit, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Om deze reden wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, en bekendgemaakt op 1 april 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de uitspraak op het beroep reeds is gedaan.