ECLI:NL:RBDHA:2021:8058
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier tijdelijke humanitaire gronden na sepot mensenhandel
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit bezittende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden, naar aanleiding van een aangifte mensenhandel. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek had geseponeerd wegens gebrek aan rechtsmacht en onvoldoende aanknopingspunten voor vervolging.
Eiser voerde aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel en dat zijn situatie onvoldoende is betrokken in de besluitvorming. Ook stelde hij dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat hij ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht en voldoende gemotiveerd was, omdat de verblijfsvergunning op grond van mensenhandel dient om medewerking aan strafvervolging mogelijk te maken en het strafrechtelijk onderzoek was beëindigd.
De rechtbank verwierp het betoog dat van het beleid afgeweken kon worden, omdat het relevante artikel van het Vreemdelingenbesluit een algemeen verbindend voorschrift is. Ook was het niet nodig eiser te horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.