ECLI:NL:RBDHA:2021:8127
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier en inreisverbod ondanks beroep op artikel 8 EVRM en hardheidsclausule
Eisers, beiden met de Indiase nationaliteit, hebben in november 2018 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier op grond van overige humanitaire redenen. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en heeft tevens een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eisers maakten bezwaar en stelden onder meer dat hun situatie bijzondere omstandigheden bevat, mede vanwege de positie van hun meerderjarige zoon die een tewerkstellingsvergunning en verblijfstitel aanvraagt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro en dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste geen schending van het recht op privé- en familieleven oplevert. Eisers hebben bewust zonder geldige verblijfsdocumenten in Nederland een onderneming gestart en onvoldoende inzicht gegeven in hun integratie. De situatie van de zoon, die ten tijde van het besluit geen rechtmatig verblijf had, leidt niet tot een andere uitkomst.
De rechtbank stelt voorts dat de hardheidsclausule terecht niet is toegepast. Eisers hebben geen rechtmatig verblijf gehad en de omstandigheden van hun onderneming en de positie van hun zoon zijn onvoldoende om vrijstelling te rechtvaardigen. Het opgelegde inreisverbod is eveneens gemotiveerd en niet onredelijk. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.