ECLI:NL:RBDHA:2021:8303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
29 juli 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5469
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 7:3 AwbArt. 8 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument als verzorgende ouder op grond van Chavez-Vilchez arrest

Eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind, verwijzend naar het arrest Chavez-Vilchez. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat uit de Basisregistratie Personen (BRP) bleek dat eiser slechts juridisch vader was van één kind, referent, en onvoldoende bewijs leverde van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor dit kind.

Eiser voerde aan dat hij ook vader is van vier andere Nederlandse kinderen en dat hij meer dan marginale zorg verricht. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling terecht beperkt was tot referent, omdat eiser geen bewijs over de andere kinderen had overgelegd bij de aanvraag. De aangevoerde stukken en verklaringen boden onvoldoende objectief bewijs van intensieve zorg. Nieuwe feiten na het bestreden besluit konden niet worden meegewogen.

Verder stelde eiser dat hij op grond van artikel 8 EVRM Pro of humanitaire gronden verblijf kon verkrijgen, maar de rechtbank wees dit af omdat het aangevraagde verblijfsdocument uitsluitend betrekking heeft op rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Ook werd het beroep op schending van de hoorplicht verworpen omdat vooraf duidelijk was dat bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Meijers op 15 juni 2021.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument als verzorgende ouder wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/5469 en AWB 20/5441

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser en verzoeker] , eiser en verzoeker,

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Demoud).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om afgifte van een document waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. [1]
Bij besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding op 18 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook referent was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland en beoogt verblijf als verzorgende ouder bij een Nederlands minderjarig kind als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. [2] ij Hij stelt de vader te zijn van vijf Nederlandse minderjarige kinderen.
2. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen en dit gehandhaafd met het bestreden besluit. Verweerder stelt dat uit de BRP [3] blijkt dat eiser slechts één kind heeft, te weten Succes Alayiwola Atanda Shittu (referent), en niet gebleken of aangetoond is dat hij de juridische of biologische vader is van de vier andere kinderen óf dat hij het gezag heeft over hen. Daarom heeft verweerder de beoordeling beperkt tot referent. Hoewel uit de BRP blijkt dat eiser de (juridische) vader van referent is, is dit volgens verweerder onvoldoende om eiser een verblijfsdocument te verstrekken. Eiser heeft onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht voor referent. Ook is niet gebleken dat referent zodanig afhankelijk van eiser is dat hij gedwongen wordt om met eiser het grondgebied van de Europese Unie te verlaten wanneer eiser geen verblijfsdocument krijgt.
Wat vindt eiser?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt allereerst dat verweerder ten onrechte het bestreden besluit beperkt tot zijn relatie met referent. Hij is de biologische vader van de vier andere kinderen en heeft een sterke band met hen. Het aantonen van een biologische band is niet verreist, omdat ook stiefouders in aanmerking komen voor verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez. [4] Eiser stelt verder dat hij wel degelijk meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht en dat hij dit heeft aangetoond. Als nadere onderbouwing heeft hij in beroep diverse stukken overgelegd. Daarnaast stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij op andere gronden voor verblijf in aanmerking komt, te weten op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [5] en overige humanitaire gronden. Tot slot stelt hij dat verweerder hem ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Eisers relatie tot de kinderen
4. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de beoordeling terecht beperkt tot eisers relatie met referent. Bij de aanvraag heeft eiser namelijk alleen documenten overgelegd die zien op deze relatie. Hoewel eiser ter zitting heeft gemeld bezig te zijn met de erkenning van de vier andere kinderen, brengt dit de rechtbank niet tot een ander oordeel. Op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam was namelijk niet duidelijk of eiser de biologische of juridische vader van de vier andere kinderen was óf dat hij het gezag over hen had. Dit terwijl het aan eiser was om dit te bewijzen.
Zorg- en/of opvoedingstaken
5. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser niet heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht voor referent. Daarbij betrekt verweerder terecht dat uit de BRP niet blijkt dat eiser met referent samenwoont en het ouderschapsplan beperkt is tot medische en financiële aangelegenheden en geen omgangsregeling bevat. De andere stukken die eiser heeft ingebracht – zoals financiële stukken, verklaringen en foto’s – vormen geen reden voor een ander oordeel. Verweerder stelt terecht dat uit de overgelegde betaalbewijzen van boodschappen, salarisspecificaties en de verklaring van de voedselbank niet blijkt dat eiser deze middelen heeft aangewend voor de zorg van referent of dat deze zorg meer dan marginaal was. Ook eisers eigen verklaring en de verklaringen van zijn moskee, de moeder van de kinderen en een buurvrouw, bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Verweerder stelt terecht dat deze verklaringen niet afkomstig zijn van objectieve bronnen en deze op verzoek zijn opgesteld. Daarnaast merkt verweerder over de verklaring van de moskee in redelijkheid op dat een instelling als een moskee onvoldoende zicht heeft op de opvoedingstaken binnen een gezin. Tot slot bieden ook de foto’s onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat eiser meer dan marginale zorgtaken verricht. Naast dat tijdstempels ontbreken, leggen foto’s enkel momentopnamen vast. Dit maakt dat foto’s weinig zeggen over de aard en intensiteit van de zorg- en/of opvoedingstaken.
6. Eiser betoogt in beroep voor het eerst dat hij met regelmaat langere perioden alleen voor referent zorgt. De moeder van referent verblijft samen met de vier andere kinderen langere perioden in het Verenigd Koninkrijk, waar deze kinderen onderwijs volgen. Moeder reist met enige regelmaat heen en terug tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
Hoewel eiser dit betoog met stukken heeft onderbouwd, brengt het de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit de stukken blijkt namelijk dat dit feiten en omstandigheden zijn van na het bestreden besluit. Ze kunnen daarom niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat de rechtbank het bestreden besluit toetst aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze waren op het moment van het nemen van het bestreden besluit.
Verblijf op andere gronden
7. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat zij terecht stelt dat als eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM of op overige humanitaire gronden wenst, hij een aanvraag daarvoor kan indienen. Artikel 9 van Pro de Vw 2000 bevat enkel de bevoegdheid tot afgifte van een document waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Afgifte van zo’n document strekt niet verder dan bevestiging van dit verblijf. Dit betekent volgens de hoogste bestuursrechter dat beoordeling van een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM nooit tot het gevraagde document kan leiden. [6] Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op overige humanitaire gronden.
Hoorplicht
8. Eisers betoog dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden slaagt niet. Van horen in bezwaar kan [7] worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestaat of de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Gezien de motivering van het primaire besluit en wat eiser daartegen in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd, is aan deze eis voldaan.
Conclusies
9. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Dit betekent dat er ook geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).
2.Zie het arrest van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:354.
3.De Basisregistratie Personen.
4.Paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingenciruclaire 2000 (de Vc 2000).
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:179.
7.Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.