ECLI:NL:RBDHA:2021:8335
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens coronavirusuitbraak en inreisverbod
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg een visum kort verblijf aan om bij zijn oom in Nederland te verblijven. De aanvraag werd op 24 maart 2020 afgewezen omdat het doel van het verblijf niet voldoende was aangetoond en het specifieke doel reeds vervallen was of zou vervallen voor aankomst.
In het bezwaar werd het besluit gehandhaafd omdat eiser werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid vanwege de uitbraak van het coronavirus, op grond van de Visumcode en de Schengengrenscode. De Nederlandse overheid had een inreisverbod ingesteld voor burgers uit Marokko.
Eiser stelde dat verweerder de hoorplicht had geschonden door hem niet te horen in bezwaar, omdat mogelijk een uitzondering op het inreisverbod van toepassing kon zijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet hoefde te horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was; er waren geen concrete aanwijzingen dat eiser onder een uitzondering viel en een hoorzitting zou niet tot een ander besluit leiden.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van een meervoudige kamer waarin een vergelijkbare situatie werd beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.