ECLI:NL:RBDHA:2021:8338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
30 juli 2021
Zaaknummer
NL21.6974
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 39 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

Eiser werd op 6 april 2021 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Op 6 mei 2021 stelde eiser beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De maatregel werd op 10 mei 2021 opgeheven omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op de asielaanvraag kon beslissen.

De rechtbank had reeds eerder geoordeeld dat de bewaring tot 12 april 2021 rechtmatig was. Nu stond de rechtmatigheid van de bewaring na 12 april 2021 ter beoordeling. De wettelijke maximale bewaartermijn zonder toepassing van artikel 39 Vw Pro bedraagt vier weken, derhalve tot 4 mei 2021. Verweerder stelde ten onrechte dat de bewaring tot 10 mei 2021 mocht duren, terwijl geen aanwijzingen waren dat artikel 39 Vw Pro was toegepast.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 5 mei 2021 onrechtmatig was en kende een schadevergoeding toe van € 100 per dag voor zes dagen onrechtmatige vrijheidsbeneming, totaal € 600. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 801 aan de rechtsbijstandverlener van eiser. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is gegrond verklaard en een schadevergoeding van € 600 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.6974
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: L. Verhaegh).

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 april 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft op 6 mei 2021 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 10 mei 2021 opgeheven. Verweerder voert hiertoe aan dat hij er niet in slaagt om binnen de termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw op de asielaanvraag van eiser te beslissen. Voorts heeft verweerder op 11 mei 2021 een verweerschrift ingebracht. Eiser heeft hierop op 12 mei 2021 gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2021 gesloten en heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Bij uitspraak van 16 april 20211 heeft zij geoordeeld dat de maatregel van bewaring, tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 12 april 2021, rechtmatig was. Nu staat ter beoordeling of de maatregel sinds 12 april 2021 rechtmatig is geweest.
1. Zaaknummer NL21.5197, ECLI:NL:RBMNE:2021:1645.
2. Op grond van artikel 59b, tweede lid, van de Vw duurt de bewaring als de onderhavige niet langer dan vier weken, tenzij verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 39 van Pro de Vw. In dat laatste geval duurt de bewaring niet langer dan zes weken.
3. De bewaring is ingegaan op 6 april 2021. Dat betekent dat de bewaring in beginsel niet langer kon duren dan tot 4 mei 2021 en niet, zoals verweerder stelt, tot 10 mei 2021. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 39 van Pro de Vw. Van een maximale termijn voor de bewaring van zes weken is dus geen sprake. De beroepsgrond die eiser in dit verband heeft aangevoerd slaagt dus. De overige discussiepunten tussen partijen behoeven daarom geen bespreking meer.
4. Dit maakt dat de maatregel met ingang van 5 mei 2021 onrechtmatig is geworden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen voor de zes dagen waarop eiser ten onrechte van zijn vrijheid benomen is geweest. Per dag dat hij in het detentiecentrum heeft verbleven, krijgt eiser € 100,-. De schadevergoeding bedraagt dus
€ 600,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 801,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 801,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken op
25 mei 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.