ECLI:NL:RBDHA:2021:8435

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2021
Publicatiedatum
2 augustus 2021
Zaaknummer
NL20.13392
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 1:3 AwbWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd bij geschil over hoogte rechterlijke dwangsom in asielprocedure

Eiser diende op 4 juni 2019 een asielaanvraag in bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Nadat verweerder niet tijdig had beslist, stelde eiser verweerder in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en legde een dwangsom op indien niet binnen acht weken werd beslist.

Verweerder besloot uiteindelijk op 11 juni 2020 de aanvraag van eiser in te willigen, maar stelde dat de termijn van acht weken nog niet was verstreken en rekende geen dwangsom over de periode van 16 maart tot 11 juni 2020. Eiser was het hier niet mee eens en vorderde een dwangsom over de periode van 18 april tot en met 9 juni 2020.

De rechtbank overwoog dat de vaststelling van de hoogte van de dwangsom geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dat het bestreden besluit daarom geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en moet eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de rechterlijke dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.13392

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 11 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd.
Eiser heeft op 2 juli 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Eiser heeft op 4 juni 2019 een asielaanvraag ingediend. Op 9 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 3 januari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Deze rechtbank heeft op 18 februari 2020 dit beroep gegrond verklaard (NL20.185). In die uitspraak heeft de rechtbank bepaald dat verweerder binnen uiterlijk acht weken eiser moet horen in de algemene asielprocedure en als hij dit niet doet hij elke dag een dwangsom verbeurt van € 100,- met een maximum van € 7.500,-.
3. Verweerder heeft op 11 juni 2020 op de asielaanvraag van eiser beslist. Daarbij heeft verweerder inzake de toekenning van de verbeurde rechterlijke dwangsom overwogen dat de termijn van acht weken nog niet is volgelopen en over de periode van 16 maart 2020 tot 11 juni 2020 geen dwangsom wordt berekend. Eiser is het daar niet mee eens. Eiser heeft recht op een dwangsom van 18 april 2020 tot en met 9 juni 2020.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en de geschiedenis van de totstandkoming 1 ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover verweerder in het bestreden besluit de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld, bevat dit besluit daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling. [1] In zoverre is het bestreden besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat eiser niet bij de bestuursrechter kan procederen over de hoogte van de dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden.
5. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.M. Biermann, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.