ECLI:NL:RBDHA:2021:8484
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, van Egyptische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan het paspoortvereiste.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van spoedeisend belang. Gezien het feit dat verzoeker niet in vreemdelingenbewaring is en er geen concrete dreiging is dat hij opnieuw in bewaring wordt gesteld, is het spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt.
Omdat spoedeisend belang ontbreekt, kan alleen bij evidente onrechtmatigheid van het besluit een voorziening worden getroffen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit niet evident onrechtmatig is, mede gezien de beoordelingsvrijheid van verweerder bij belangenafweging en het niet bestreden standpunt dat niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning ‘buiten schuld’ wordt voldaan.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evidente onrechtmatigheid.