ECLI:NL:RBDHA:2021:856
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf op grond van COVID-19 pandemie en hoorplichtschending
Eiser, van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf die door verweerder werd afgewezen. Verweerder voerde als nieuwe afwijzingsgrond de bescherming van de volksgezondheid in verband met de COVID-19 pandemie aan. Eiser stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat vooraf niet zeker was of hij onder een uitzonderingssituatie viel waarbij toch een visum verleend moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden, maar paste artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe omdat eiser niet in zijn belangen was geschaad. Hierdoor werd het beroep ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Tijdens de zitting werd door verweerder toegezegd dat een eventuele nieuwe aanvraag van eiser op zijn eigen merites zal worden beoordeeld en dat de afwijzing van deze aanvraag niet in de toekomst tegen hem zal worden gebruikt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.