ECLI:NL:RBDHA:2021:8639
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een bestuursrechtelijke zaak, omdat een verzoek tot uitstel van de behandeling van zijn beroep was afgewezen. Verzoeker stelde dat de rechter vooringenomen was doordat deze al een mening zou hebben gevormd over de relevantie van stukken en hem niet in de gelegenheid stelde zijn beroep volledig te motiveren.
De wrakingskamer overwoog dat procedurele beslissingen in beginsel geen grond voor wraking kunnen vormen, tenzij deze objectief gezien als blijk van vooringenomenheid kunnen worden opgevat. De kamer concludeerde dat de aangevoerde gronden, waaronder het afwijzen van het uitstelverzoek en de ontvangst van stukken, niet leiden tot een gegronde vrees voor partijdigheid.
Verzoeker was niet verschenen bij de mondelinge behandeling en had zijn wrakingsverzoek te laat ingediend voor enkele gronden. De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet.