Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2021 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan de handhaving van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 26 september 2012, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser op 1 december 1989 is veroordeeld voor een misdrijf (diefstal en diefstal met geweld, waarvoor een gevangenisstraf van negen jaar en vier jaar kan worden opgelegd) als bedoeld in artikel 3.98 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en dat de totale duur van opgelegde gevangenisstraffen de voor eiser toepasselijke norm uit artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb overschrijdt. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat hij de aan eiser toegekende verblijfsvergunning op grond van 3.86, vijfde lid van het Vb, in verbinding met artikel 3.86, vierde lid van het Vb kan intrekken, ongeacht de verblijfsduur van eiser. Het totaal van de aan eiser opgelegde onvoorwaardelijke straffen is namelijk hoger dan de maximale norm van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb. Die norm is 14 maanden. Aan eiser is in totaal 173 maanden, dus meer dan tien jaar gevangenisstraf opgelegd. Omdat eiser zich ook schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) en aan een misdrijf uit de Opiumwet waar een straf van zes jaar of meer op is gesteld, kan hij geen rechten ontlenen aan artikel 3.86, tiende lid, van het Vb.
Beslissing
mr. N.Y. Majoor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2021.