Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2021 in de zaken tussen
en [eiseres], v-nummer [nummer] , eiseres, tezamen eisers,
[dochter]en
[zoon]
Rechtbank Den Haag
Eisers, een gezin met minderjarige kinderen, voerden beroep aan tegen besluiten van de staatssecretaris om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eisers stelden dat overdracht aan Italië een schending van artikel 4 van Pro het EU-Handvest inhoudt vanwege hun kwetsbare situatie, waaronder medische omstandigheden en het belang van hun kinderen.
De rechtbank overwoog dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in vergelijkbare zaken heeft geoordeeld dat overdracht aan Italië geen schending van artikel 4 EU Pro-Handvest vormt, mede vanwege verbeterde Italiaanse wetgeving en opvangvoorzieningen. De door eisers aangevoerde rapporten boden onvoldoende nieuwe feiten om dit oordeel te weerleggen.
Ten aanzien van de medische situatie van eiser, die diabetes heeft en insuline nodig heeft, concludeerde de rechtbank dat onvoldoende bewijs was geleverd dat overdracht tot een onomkeerbare verslechtering zou leiden. Ook het belang van de kinderen, waaronder schoolgang en sociale ontwikkeling, woog niet zwaarder dan het belang van gezamenlijke overdracht aan Italië.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de overdracht aan Italië zijn ongegrond verklaard.