ECLI:NL:RBDHA:2021:8895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 augustus 2021
Publicatiedatum
16 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.6830
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk onder Dublinverordening

Eiser, een Marokkaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 30, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname aan Frankrijk gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.

Eiser stelde dat hij in Frankrijk geen zorgvuldige procedure zou krijgen en vreest uitzetting naar Marokko, met risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Hij voerde aan dat de drempel voor een opvolgende asielaanvraag in Frankrijk hoog is en dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel schond door alleen standaardoverwegingen te gebruiken.

De rechtbank stelde vast dat eiser recent contact had met zijn gemachtigde, waardoor procesbelang aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende onderbouwde waarom Frankrijk de asielaanvraag niet zorgvuldig zou behandelen. De garantie van Frankrijk omvat ook het verbod op indirect refoulement. Het zorgvuldigheidsbeginsel was niet geschonden omdat verweerder de zaak voldoende had gemotiveerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter C. van Boven-Hartogh en griffier J. de Winter en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.6830

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. C.M. Suurmeijer-Wawoe),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1990 en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat hij in Frankrijk geen zorgvuldige procedure heeft gehad en dat hij vreest te worden uitgezet naar Marokko door de Franse autoriteiten. Hij stelt in Marokko risico te lopen op een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Nederland moet daarom de asielaanvraag van eiser inhoudelijk behandelen. Eiser voert verder aan dat de drempel in Frankrijk erg hoog is voor het indienen van een opvolgende asielaanvraag en dat klagen hierover veelal geen zin heeft. Verweerder somt slechts standaardoverwegingen op en schendt daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel. Niet is gebleken dat verweerder naar het specifieke geval van eiser heeft gekeken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
5. Verweerder heeft op 12 mei 2021 meegedeeld dat eiser op 29 april 2021 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 12 mei 2021 medegedeeld dat zij diezelfde week nog een bericht van eiser heeft ontvangen via WhatsApp.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579), volgt dat procesbelang in beginsel ontbreekt wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op het verzoek. Nu de gemachtigde van eiser recentelijk contact stelt te hebben gehad met eiser, ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. De beroepsgronden zullen daarom inhoudelijk worden beoordeeld.
7. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het
interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan.
8. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd waarom hij vreest dat zijn asielaanvraag niet zorgvuldig zal worden behandeld in Frankrijk. Door middel van het claimakkoord garandeert Frankrijk dat de asielaanvraag van eiser inhoudelijk zal worden behandeld in overeenstemming met de geldende Europese richtlijnen. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat de Franse autoriteiten de asielaanvraag van eiser zorgvuldig zal behandelen. Bij voorkomende problemen dient eiser zich te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Niet gesteld of gebleken is dat de Franse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
9. Dat er sprake zou zijn van een reëel risico op indirect réfoulement bij overdracht aan Frankrijk volgt de rechtbank niet. De garantie dat Frankrijk de asielaanvraag van eiser zal behandelen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd is met het verbod van réfoulement. Eiser maakt niet aannemelijk dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat Frankrijk deze verplichting niet zal nakomen.
10. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom de asielaanvraag van eiser niet in behandeling is genomen. Hierbij zijn de door eiser afgelegde verklaringen tijdens het gehoor en de zienswijze betrokken. Dat verweerder mede gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen die op de zaak van eiser van toepassing zijn, maakt nog niet dat het besluit onzorgvuldig is genomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden.
11. Verweerder beroept zich terecht op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en mag ervan uitgaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.