ECLI:NL:RBDHA:2021:8895
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk onder Dublinverordening
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 30, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname aan Frankrijk gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.
Eiser stelde dat hij in Frankrijk geen zorgvuldige procedure zou krijgen en vreest uitzetting naar Marokko, met risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Hij voerde aan dat de drempel voor een opvolgende asielaanvraag in Frankrijk hoog is en dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel schond door alleen standaardoverwegingen te gebruiken.
De rechtbank stelde vast dat eiser recent contact had met zijn gemachtigde, waardoor procesbelang aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende onderbouwde waarom Frankrijk de asielaanvraag niet zorgvuldig zou behandelen. De garantie van Frankrijk omvat ook het verbod op indirect refoulement. Het zorgvuldigheidsbeginsel was niet geschonden omdat verweerder de zaak voldoende had gemotiveerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter C. van Boven-Hartogh en griffier J. de Winter en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.