ECLI:NL:RBDHA:2021:8896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublin-verordening
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.
Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening die overdracht naar Frankrijk zou moeten voorkomen totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. De voorzieningenrechter overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet werd geschonden, er geen sprake was van indirect refoulement en het zorgvuldigheidsbeginsel niet was geschonden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen overdracht naar Frankrijk wordt afgewezen.