Eiser, van Albanese nationaliteit, reisde op 25 juli 2020 de EU binnen en verbleef tot 13 december 2020 in verschillende lidstaten. Na een verblijf in het Verenigd Koninkrijk keerde hij op 16 januari 2021 terug naar de EU. Verweerder legde op 28 maart 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op wegens overschrijding van de vrije verblijfsperiode van 90 dagen binnen 180 dagen.
Eiser voerde aan dat hij binnen zijn vrije termijn verbleef en dat hij een afgeleid verblijfsrecht zou hebben als echtgenoot van een EU-burger die in België verbleef. De rechtbank stelde vast dat eiser de vrije termijn ruimschoots had overschreden en dat niet was gebleken dat hij zich daadwerkelijk bij zijn echtgenote had gevoegd, zodat geen afgeleid verblijfsrecht bestond.
Ook het gestelde rechtmatig verblijf in het VK kon niet leiden tot een rechtmatig verblijf in de EU. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.