ECLI:NL:RBDHA:2021:8947
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindiging gezinsrelatie en echtscheiding
Eiser had een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid, die door verweerder per 11 februari 2020 is ingetrokken vanwege beëindiging van de relatie met de referente en de opstart van een echtscheidingsprocedure.
Eiser betoogde dat de intrekking voorbarig was, dat hij hoopte op verzoening en dat verweerder had moeten wachten op de formalisering van de echtscheiding. Ook stelde hij dat hij vanwege de coronapandemie geen persoonlijk contact kon hebben met de referente.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de feitelijke verbreking van de relatie, onderbouwd door een meldingsformulier van de referente en uitschrijving uit de Basisregistratie Persoonsgegevens. De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening, omdat geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit had kunnen leiden en de echtscheiding inmiddels is geformaliseerd.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep staat open tegen deze uitspraak, maar niet tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.