ECLI:NL:RBDHA:2021:898
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening aansluitende zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 26 januari 2021 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1957. Betrokkene lijdt aan een schizo-affectieve stoornis die leidt tot ernstig nadeel zoals ernstig lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Tijdens een telefonische zitting, vanwege COVID-19 maatregelen, werd betrokkene vroegtijdig uit het gesprek verwijderd wegens geagiteerd gedrag. De psychiater en sociaal psychiatrisch verpleegkundige gaven aan dat betrokkene momenteel redelijk functioneert bij medicatie-inname, maar kwetsbaar blijft en dat verplichte zorg noodzakelijk is om terugval te voorkomen. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven voorhanden.
De rechtbank oordeelde dat de gevraagde vormen van verplichte zorg, waaronder medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie, noodzakelijk, evenredig en effectief zijn. De zorgmachtiging wordt verleend voor de duur tot 26 januari 2022. Het verzoek tot meer of andere zorgmaatregelen werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een aansluitende zorgmachtiging voor verplichte zorg tot 26 januari 2022.