De rechtbank Den Haag behandelde op 13 augustus 2021 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. De kinderen verbleven sinds juni 2021 in een pleegzorgvoorziening. De gecertificeerde instelling stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was tot aan een gezinsopname die binnen enkele maanden zou starten.
De ouders voerden verweer en betoogden dat er geen acute noodzaak was voor voortgezette uithuisplaatsing, dat zij leerbaar zijn en dat de kinderen beter thuis kunnen verblijven. De rechtbank nam kennis van positieve ontwikkelingen, waaronder verbeterde samenwerking tussen ouders en hulpverlening en positieve bezoeken in het Wilmahuis.
De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke gronden voor uithuisplaatsing onvoldoende aanwezig zijn en dat een uithuisplaatsing een uiterste maatregel is die niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. Gezien de positieve ontwikkelingen en het aankomende gezinsopnameadvies, wees de rechtbank het verzoek af. De kinderen waren op dat moment op vakantie bij het pleeggezin en zouden na afloop naar huis terugkeren.
De beschikking is mondeling uitgesproken en schriftelijk vastgesteld op 19 augustus 2021. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden via het gerechtshof Den Haag.