ECLI:NL:RBDHA:2021:9245
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen
Eiser, van Oekraïense nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen had aangevoerd.
Eiser voerde aan dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door geen medisch onderzoek te verrichten ondanks zijn PTSS-klachten en dat hij bij terugkeer een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro en het Antifolterverdrag. Ook stelde hij dat een getuigenverklaring van zijn broer als nieuw element moest worden beschouwd. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat de medische klachten reeds in de eerdere procedure waren beoordeeld en de getuigenverklaring niet was overgelegd en geen objectieve bewijswaarde had.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet ambtshalve hoefde te beoordelen of eiser in aanmerking kwam voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro 2000, en dat eiser dit zelf moest aanvragen.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is ongegrond.