ECLI:NL:RBDHA:2021:9290
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, met de Kameroense nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij zijn moeder (referente) op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees het verzoek af omdat de familierechtelijke relatie niet was aangetoond en geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
Eiser betoogde dat hij uit schrijnende omstandigheden is geboren, dat hij altijd tot het gezin van referente heeft behoord en dat de langdurige scheiding niet tegen hem mag worden gebruikt. Hij stelde ook dat verweerder de belangenafweging onjuist had gemaakt en de hoorplicht had geschonden.
De rechtbank oordeelde dat, ook indien de familierechtelijke relatie wordt aangenomen, eiser als jongvolwassene moet aantonen dat hij altijd tot het gezin van referente heeft behoord en nog behoort, wat niet het geval is door langdurige scheiding. De schrijnende omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering. Daarnaast mocht verweerder afzien van het horen van eiser. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen.