ECLI:NL:RBDHA:2021:9617
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens gevaar voor volksgezondheid tijdens COVID-19-pandemie
Eiseres verzocht op 20 november 2019 om een visum voor kort verblijf bij haar echtgenoot in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af op grond van onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en onzekerheid over het vertrek vóór het verstrijken van het visum. Bij het bestreden besluit van 25 maart 2020 werd het bezwaar ongegrond verklaard en werd een nieuwe afwijzingsgrond gehanteerd: gevaar voor de volksgezondheid vanwege de COVID-19-pandemie.
Eiseres voerde aan dat deze nieuwe grond ten onrechte werd toegepast, dat verweerder had moeten wachten met het besluit, had moeten horen, en dat er sprake was van misbruik van bevoegdheid en schending van beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelde dat COVID-19 een erkende epidemische ziekte is en dat verweerder bevoegd was de afwijzingsgrond te hanteren. Het niet wachten met het besluit was gerechtvaardigd gezien de onduidelijkheid over maatregelen en grensopeningen.
De rechtbank stelde vast dat het niet ingaan op bezwaargronden uit het primaire besluit niet onzorgvuldig of onevenredig was, mede omdat nieuwe aanvragen op actuele gronden worden beoordeeld. Hoewel verweerder een nieuwe afwijzingsgrond zonder hoorzitting hanteerde, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Misbruik van bevoegdheid werd niet vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens een zorgvuldigheidsgebrek.