ECLI:NL:RBDHA:2021:9625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2021
Publicatiedatum
31 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.9648
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende op 16 maart 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit is bevestigd door het feit dat Frankrijk een terugnameverzoek van Nederland heeft aanvaard na eerdere weigeringen van Zwitserland.

Eiser stelde dat hij niet naar Frankrijk mocht worden overgedragen vanwege vrees voor indirect refoulement en onvoldoende toegang tot voorzieningen, mede vanwege zijn kwetsbare fysieke en psychische toestand. De rechtbank oordeelde echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Frankrijk zijn verplichtingen zal nakomen. Eiser heeft geen concrete onderbouwing gegeven voor zijn vrees en geen medische stukken overgelegd die zijn kwetsbaarheid aantonen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is en dat er geen aanleiding was om het verzoek op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.9648

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.9649, op 29 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Yap, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 16 maart 2021 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Op 7 april 2021 heeft verweerder een terugnameverzoek aan Zwitserland gedaan. Dit verzoek heeft Zwitserland op 7 april 2021 geweigerd met de mededeling dat zij het terugnameverzoek van de Franse autoriteiten op 9 maart 2021 hebben geweigerd en geen heroverwegingsverzoek hebben ontvangen. Daarmee heeft Frankrijk de verantwoordelijkheid voor onderhavig verzoek geaccepteerd. Daarop heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Allereerst gaat eiser niet akkoord met het claimakkoord. Daarnaast verzet hij zich tegen een overdracht aan Frankrijk, omdat hij in Frankrijk niet zal worden toegelaten en geen toegang zal krijgen tot voorzieningen, zoals opvang en medische zorg. Eiser is gelet op zijn fysieke en psychologische problemen bovendien een kwetsbare asielzoeker. Eiser voert verder aan dat zijn overdracht in strijd is met het refoulementsverbod, nu de Franse autoriteiten hem zullen overdragen aan Afghanistan. Verweerder dient in deze omstandigheden dan ook aanleiding te zien om de asielaanvraag in behandeling te nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op juiste wijze vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Zwitserland op 7 december 2015, in Duitsland op 16 augustus 2018 en in Frankrijk op 8 januari 2019, 5 maart 2020, 3 juni 2020 en 2 maart 2021. Nu Frankrijk er niet voor heeft gekozen een heroverwegingsverzoek aan Zwitserland te doen, is Frankrijk verantwoordelijk geworden. Dit hebben de Franse autoriteiten met het claimakkoord bevestigd. Eiser heeft niet concreet onderbouwd waarom desondanks niet van de verantwoordelijkheid van Frankrijk kan worden uitgegaan.
5. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Franse autoriteiten toegezegd de asielaanvraag van eiser te behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Daarbij mag verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat eiser in Frankrijk toegang zal krijgen tot opvang en medische zorg. Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat eraan moet worden getwijfeld dat Frankrijk zijn verplichtingen in dit verband zal nakomen. Bovendien is het aan eiser om zich bij voorkomende problemen te beklagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
6. Eiser heeft verder zijn gestelde vrees voor (indirect) refoulement op geen enkele wijze onderbouwd. Zoals hiervoor overwogen garanderen de Franse autoriteiten met het claimverzoek dat zij eisers asielaanvraag in behandeling zullen nemen en wordt er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gegaan dat Frankrijk ook in dit verband zijn internationale verplichtingen jegens eiser naleeft. In dit kader geldt eveneens dat indien eiser meent dat Frankrijk zijn verplichtingen tegenover hem niet nakomt, voor hem de mogelijkheid bestaat om bij de (hogere) autoriteiten in Frankrijk te klagen.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij als bijzonder kwetsbare vreemdeling moet worden aangemerkt. Eiser heeft in het geheel geen (medische) stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op dat gebied bijzondere behoeftes heeft of dat hij voor zijn behandeling op Nederland is aangewezen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende, individuele garanties geen adequate zorg- of opvangvoorzieningen zal krijgen in Frankrijk.
8. Nu (ook overigens) niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier, en bekend gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.