ECLI:NL:RBDHA:2021:9793
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beslag op voorschotsubsidie bij beëindigde maatschap en voorwaarden subsidieverlening
De zaak betreft een geschil over beslaglegging op subsidiegelden die zijn toegekend aan een maatschap die inmiddels is beëindigd. Eiseres heeft conservatoir derdenbeslag gelegd op subsidiegelden die haar ex-echtgenoot, de heer A, zou ontvangen op grond van een subsidieaanvraag voor sanering varkenshouderijen. De subsidieaanvraag was goedgekeurd, maar de definitieve vaststelling en uitbetaling van de subsidie was nog niet afgerond.
De rechtbank stelt vast dat het beslag aanvankelijk op de maatschap was gelegd, maar dat de maatschap op het moment van de subsidieaanvraag al was beëindigd en de subsidie uiteindelijk aan de heer A is toegekend. Daarmee is het beslag op de juiste persoon gelegd. De kernvraag is of het beslag ook betrekking kan hebben op toekomstige vorderingen, zoals het tweede voorschot van 70% van de subsidie, dat nog niet opeisbaar was omdat nog een besluit van de Staat nodig is.
De rechtbank oordeelt dat het tweede voorschot pas opeisbaar wordt na een positief besluit van de Staat dat aan de voorwaarden van de Subsidieregeling is voldaan. Tot dat moment kan de heer A geen aanspraak maken op betaling en is de Staat niet gehouden tot uitkering. Zodra het besluit is genomen, moet de Staat het bedrag aan de deurwaarder voldoen voor zover het beslag executoriaal is. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Staat moet het tweede voorschot van 70% van de subsidie aan de deurwaarder voldoen zodra een positief besluit is genomen en het beslag executoriaal is.