ECLI:NL:RBDHA:2021:9801
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op vrijstelling legesverplichting bij aanvraag verblijfsvergunning humanitaire gronden
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking "overige humanitaire omstandigheden". Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld omdat de leges niet zijn betaald. Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening tegen uitzetting, welke werd toegewezen. Na een bestreden besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde eiser beroep in en verzocht opnieuw om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toegewezen op basis van een verklaring van betalingsonmacht. Vervolgens is beoordeeld of eiser een geslaagd beroep kan doen op de vrijstellingsgronden van artikel 3.34a, onder j en k, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de vrijstelling van de leges heeft geweigerd, omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet over middelen beschikt om de leges te betalen en geen schrijnende omstandigheden heeft die toepassing van de discretionaire bevoegdheid rechtvaardigen.
Eiser voerde aan dat de Amsterdamse Ombudsman zich voor zijn zaak heeft ingezet en dat hij sterke sociale en culturele banden met Nederland heeft. De rechtbank stelde dat de bemoeienis van de Ombudsman niet relevant is voor de beoordeling en dat verweerder alle omstandigheden in redelijkheid heeft meegewogen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde eveneens, mede gelet op eerdere rechterlijke uitspraken die het beroep ongegrond verklaarden. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vrijstelling van leges wordt afgewezen.