ECLI:NL:RBDHA:2021:9816
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen weigering kostenvergoeding bij WW-uitkering na onregelmatig ontslag
Eiseres werd op 12 februari 2020 op staande voet ontslagen door haar werkgever en vroeg daarop een WW-uitkering aan. Verweerder wees de uitkering toe, maar met een blijvende vermindering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid. Na bezwaar verklaarde verweerder dit bezwaar ongegrond en handhaafde het besluit. De kantonrechter oordeelde echter dat het ontslag onregelmatig was, waarna verweerder het besluit wijzigde en het standpunt inzake verwijtbare werkloosheid introk, maar de WW-uitkering pas liet ingaan na het verstrijken van de opzegtermijn.
Eiseres stelde dat bij onrechtmatig ontslag op staande voet geen rekening kan worden gehouden met de opzegtermijn voor de WW-uitkering en dat verweerder ten onrechte geen kostenvergoeding voor het bezwaar had toegekend. De rechtbank oordeelde dat de opzegtermijn wel in acht moet worden genomen en dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat dit is vervangen door het tweede besluit.
De rechtbank stelde vast dat het tweede besluit een herroeping van het primaire besluit inhoudt en dat verweerder daarom de kosten van het bezwaar aan eiseres had moeten vergoeden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit voor zover het de kostenvergoeding betrof, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de kosten van bezwaar, proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten.