ECLI:NL:RBDHA:2021:9924
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van beëindiging Ziektewetuitkering wegens vermeend verdienvermogen boven 65%
Eiser ontving een Ziektewetuitkering na een bedrijfsongeval en werd beoordeeld op zijn arbeidsongeschiktheid. Verweerder beëindigde de uitkering op grond van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) waarin werd geconcludeerd dat eiser meer dan 65% van zijn maatmanloon kan verdienen. Eiser betwistte dit, met name de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat het rapport van de verzekeringsarts b&b alle klachten van eiser heeft betrokken. De door eiser aangevoerde onduidelijkheden over beperkingen zijn onvoldoende om het medisch oordeel te betwijfelen. Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing ontbreekt een deugdelijk b&b-rapport, waardoor het besluit op dat punt onvoldoende is gemotiveerd en strijdig met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Desondanks heeft verweerder in de beroepsfase alsnog een arbeidskundig b&b-rapport ingediend, dat bevestigt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser 34,40% bedraagt en dat hij geschikt is voor de geduide functies. De rechtbank concludeert dat eiser niet is benadeeld door de eerdere schending van de motiveringsplicht en dat het besluit terecht is gehandhaafd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard ondanks onvoldoende arbeidskundige onderbouwing.