ECLI:NL:RBDHA:2021:9968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 augustus 2021
Publicatiedatum
13 september 2021
Zaaknummer
AWB 21/3692 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring in vreemdelingenzaak

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de gronden en het bestreden besluit niet tijdig waren ingediend.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring heeft opposant verzet ingesteld en aangevoerd dat de gronden en het besluit wel tijdig via ZIVVER zijn ingediend, hetgeen werd ondersteund met een screenshot.

De verzetrechter oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de zaak daarom niet zonder zitting had mogen worden afgedaan.

Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en de procedure wordt hervat in de stand van voor de buiten-zittinguitspraak, waarna de zaak alsnog op zitting zal worden behandeld.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van opposant, vastgesteld op €374,-.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de zaak wordt op zitting behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/3692 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2021 op het verzet van

[opposant] c.s, opposant

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom).

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) van 17 juni 2021 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 3 augustus 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn de gronden van het beroep en een afschrift van het bestreden besluit heeft ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de gronden van het beroep en een afschrift van het bestreden besluit binnen de gestelde termijn zijn ingediend, namelijk per e-mail (ZIVVER) van 4 juli 2021. Ter ondersteuning van het gestelde heeft opposant een screenshot van ZIVVER overgelegd.
4. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De zaak wordt hierna alsnog op een zitting behandeld. Ter voorlichting merkt
de verzetrechter op dat ook na het onderzoek ter zitting het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. De verzetrechter veroordeelt de staatssecretaris in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de verzetrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De verzetrechter:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van opposant tot een bedrag
van € 374,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, verzetrechter, in aanwezigheid van
A.C. Karels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2021.
griffier verzetrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.