ECLI:NL:RBDHA:2021:9998
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument en oplegging inreisverbod wegens schijnrelatie
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij hij stelde een relatie te hebben met een Bulgaarse vrouw. Verweerder wees de aanvraag af wegens vermoedens van een schijnrelatie, gebaseerd op tegenstrijdige en vage verklaringen van beide partijen tijdens een hoorzitting.
Eiser voerde aan dat er sprake was van een oprechte liefdesrelatie en dat de impact van medicatie op de verklaringen van zijn partner onvoldoende was onderzocht, wat volgens hem het zorgvuldigheidsbeginsel schond. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht concludeerde dat de relatie niet oprecht was, mede omdat eiser geen aanvullende bewijsstukken overlegde.
Daarnaast legde verweerder een inreisverbod van twee jaar op wegens het niet naleven van een terugkeerbesluit. Eiser stelde dat dit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro omdat het gezinsleven werd belemmerd. De rechtbank verwierp dit beroep, verwijzend naar de eerdere conclusie over de schijnrelatie.
De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument en het opleggen van het inreisverbod ongegrond.