ECLI:NL:RBDHA:2022:1009
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 29 september 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Volgens verweerder kan op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden aangenomen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt.
Eiser voerde aan dat hij in Duitsland werd mishandeld, gediscrimineerd en geen zelfstandige woonruimte kon vinden, en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Ook stelde hij dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar zijn verblijfsrecht in Nederland via gezinshereniging.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt of dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op schending van fundamentele rechten. Zijn persoonlijke klachten waren onvoldoende onderbouwd en hij heeft nagelaten effectief te klagen bij Duitse autoriteiten.
Verder is verweerder niet gehouden om ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging. Eiser kan hiervoor de juiste procedure in Duitsland starten. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.