Eiseres, eigenaar van een hotel, maakte bezwaar tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €4.109.000 voor het kalenderjaar 2021. Verweerder had de waarde bepaald op basis van een waarderapport dat echter onvoldoende onderbouwing bood, zoals het ontbreken van vergelijkingen met andere objecten, kapitalisatiefactoren en gerealiseerde huur- of transactieprijzen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde juist was. Eiseres stelde een lagere waarde van €2.999.000 voor, maar kon deze niet voldoende onderbouwen, ook niet met haar stellingen over onderhoudstoestand en omgevingsfactoren.
Omdat geen van beide partijen het bewijs kon leveren, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €3.600.000. Het beroep werd gegrond verklaard, de beschikking en aanslag werden verminderd, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.D. van Riel op 20 september 2022. Verweerder was niet verschenen ondanks tijdige uitnodiging.