ECLI:NL:RBDHA:2022:10328
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij voortzetting strafvervolging
De rechtbank Den Haag behandelde een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het niet voldoen aan administratieve verplichtingen en het wederrechtelijk toe-eigenen van geldbedragen als feitelijk bestuurder van een failliete rechtspersoon. De zaak betrof feiten uit de periode 2011 tot 2014 en kende een langdurige procedure met meerdere zittingen en getuigenverhoren.
Het Openbaar Ministerie heeft bij brief van juli 2022 aangegeven de strafzaak opnieuw aan te brengen en tegelijkertijd de niet-ontvankelijkheid te vorderen wegens het ontbreken van een strafrechtelijk belang bij voortzetting. De verdachte was niet aanwezig bij de zitting van september 2022, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, die de conclusie van het OM deelde.
De rechtbank oordeelt met terughoudendheid over de beleidsvrijheid van het OM en stelt vast dat het OM zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat voortzetting van de strafvervolging niet langer noodzakelijk is. Gezien de ouderdom van de feiten, de geringe omvang van het nadeel en het ontbreken van recente justitiële contacten van verdachte, is het belang van de samenleving en verdachte gediend met het niet voortzetten van de zaak. Dit is niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde.
Daarom verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en sluit de strafzaak af.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een strafrechtelijk belang bij voortzetting van de vervolging.