ECLI:NL:RBDHA:2022:10357
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Korting van 38% op AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode bevestigd
Eiser maakte bezwaar tegen een korting van 44% op zijn AOW-pensioen, die later werd herzien tot 38%. Hij stelde dat hij over enkele perioden wel verzekerd was, onderbouwd met adresgegevens en detentieperiodes. Verweerder erkende verzekeringsrecht over een deel van die periode, maar handhaafde de korting omdat nog steeds circa 19 jaar niet verzekerd was.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn detentie in de genoemde periodes en dat de bewijslast daarvoor bij hem lag. Omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd en het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was, werd het beroep gegrond verklaard voor het deel dat eiser onterecht niet verzekerd werd geacht van 2 oktober 1996 tot 20 mei 1997.
De rechtbank vernietigde dat deel van het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand, waardoor de korting van 38% bleef gelden. Eiser kreeg ontheffing van griffierecht wegens betalingsonmacht en werd een proceskostenvergoeding van €1.518 toegekend.
Uitkomst: De rechtbank handhaaft een korting van 38% op het AOW-pensioen van eiser wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsrecht over detentieperiodes.