Eiser, werkzaam als orderpicker/bijrijder, meldde zich op 9 juli 2019 ziek en ontving een ziektewetuitkering. Na medische en arbeidsdeskundige beoordelingen concludeerden verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen dat eiser niet geschikt was voor zijn oude functie, maar wel voor andere functies waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Verweerder beëindigde daarom de uitkering per 4 januari 2021.
Eiser voerde aan dat hij niet in staat was dit inkomen te verdienen en betwistte de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, met name het ontbreken van een fysiek spreekuur bij de verzekeringsarts in de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts B&B geen noodzaak zag voor een spreekuur en dat het ontbreken van een gemachtigde in bezwaar geen grond is voor een fysiek onderzoek.
Verder concludeerde de rechtbank dat de medische rapporten volledig en adequaat waren, inclusief de beoordeling van psychische en lichamelijke klachten. Nieuwe medische stukken uit beroep waren niet relevant voor de datum van de beëindiging. De arbeidsdeskundige bevestigde de geschiktheid van de voorgestelde functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.