Eiser, een vreemdeling met de Poolse nationaliteit, is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.
Verweerder heeft de maatregel gebaseerd op zware en lichte gronden uit het Vreemdelingenbesluit 2000, waarvan één zware grond ter zitting is komen te vervallen. Eiser betwist de overige gronden niet.
De rechtbank oordeelt dat de overgebleven gronden voldoende zijn om het risico van ontduiking van toezicht aan te nemen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.