ECLI:NL:RBDHA:2022:10439
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens niet verschijnen en vertrek met onbekende bestemming
Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende op 12 maart 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Bij besluit van 27 juli 2022 stelde de staatssecretaris de aanvraag buiten behandeling omdat eiser niet was verschenen bij het nader gehoor en met onbekende bestemming was vertrokken zonder contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten.
Eiser voerde aan dat hij door psychische problemen niet kon verschijnen en dat er onvoorziene omstandigheden waren. Ook stelde hij dat de staatssecretaris onvoldoende navraag had gedaan bij instanties zoals het COA en Vluchtelingenwerk. Daarnaast betwistte hij het terugkeerbesluit, de onthouding van een vertrektermijn en het opgelegde inreisverbod, stellende dat dit in strijd was met artikel 3 EVRM Pro vanwege gevaar in Algerije.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk procesbelang had, ondanks zijn vertrek, omdat hij zich in strafrechtelijke detentie bevond. De termijnoverschrijding voor het indienen van beroepsgronden werd verschoonbaar geacht vanwege onduidelijkheid in de communicatie van de rechtbank. De rechtbank vond dat eiser niet had aangetoond dat het niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen was en dat hij niet tijdig contact had opgenomen met bevoegde autoriteiten.
De stelling van eiser over psychische problemen werd niet onderbouwd en verworpen. De rechtbank achtte het buiten behandeling stellen van de aanvraag terecht en oordeelde dat het terugkeerbesluit, de onthouding van een vertrektermijn en het inreisverbod rechtmatig waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.